“Good bye, take care,” hoor ik mezelf zeggen. Ik zwaai nog even naar mijn collega en druk dan op de rode knop ‘gesprek afsluiten’. Ongemerkt laat ik een flinke zucht ontsnappen. Voor me ligt een stapeltje papier. Daarop staan de aantekeningen van de gesprekken met collega’s uit verschillende landen waar Red een Kind werkt. Die aantekeningen maken één ding alvast pijnlijk duidelijk: de allerarmsten in de wereld trekken in deze wereldwijde ramp aan het kortste eind…alwéér!  

door: Lineke Mook, red een kind

DR Congo: ‘COVID-19 doen we erbij’


Neem DR Congo. Dit enorme land staat voor de onmogelijke opgave om niet één, niet twee, maar drie dodelijke virussen het zwijgen op te leggen. In de hardnekkige strijd tegen ebola en de mazelen is COVID-19 namelijk ‘slechts’ een nieuwkomer. Niet dat het lichtvaardig wordt opgepakt, dat zeker niet. De grootste steden zijn al in lockdown gegaan, zo weten collega’s Jonathan en Jean-Pierre mij te vertellen via een niet al te sterke videobelverbinding met het Red-een-Kind-kantoor in Goma. En de grenzen zijn natuurlijk dicht. Dat ging allemaal vrij onaangekondigd, waarschijnlijk om een grote migratiestroom zoals in India, te voorkomen. Dat betekent wel, dat Jonathan en Jean-Pierre de komende weken niet herenigd kunnen worden met hun gezin. Om maar even iets te noemen. Hun gezinnen wonen namelijk buiten DRC. Standaard, omdat de veiligheidssituatie van DR Congo helaas niet anders toelaat.
Lang staan mijn collega’s niet stil bij hun persoonlijk leed. Ze maken zich vooral zorgen om de allerarmsten. Veel mensen doen dagarbeid en halen op één dag net voldoende op om voor die dag een maaltijd te kunnen betalen. Nu veel van die dagelijkse arbeid stil is komen te vallen, is er simpelweg geen buffer, geen vangnet en dus geen eten.
Een andere zorg is de medische capaciteit van het land. In hoofdstad Kinshasa is het enige COVID-19 testcentrum van het land gevestigd. Vanwege de afstanden kan het tien (!) dagen duren voordat iemand met klachten a. zich heeft kunnen laten testen en b. de resultaten van die test binnen heeft. Ik hoor het al. Onbegonnen werk.
“Wat kunnen we doen? Waar gaan jullie gedachten naar uit?” vraag ik aan Jonathan en Jean-Pierre. “NGO’s zoals Red een Kind hebben een hele belangrijke rol in deze situatie”, vertelt Jonathan. Voor onze projectgebieden hebben we in kaart wie de meest kwetsbare mensen zijn. Dat inzicht ontbreekt bij de overheid. Ook doen we al veel aan voorlichting en het trainen van gezondheidswerkers om ebola en andere ziektes terug te dringen. Een eerste stap is dus om deze gezondheidswerkers bij te praten over COVID-19. Zij kunnen met die kennis de dorpen in, want de meeste mensen zijn nog helemaal niet op de hoogte van dit nieuwe virus. We willen zeep en water verspreiden en handenwasgelegenheden inrichten op openbare plekken zoals markten en scholen, en zo ervoor zorgen dat de hygiëne kan worden nageleefd. De afgelopen dagen hebben we samen met onze partners aan een plan gewerkt en nu wachten we op financiering. “Tegelijkertijd maken we ons zorgen dat veel arme gezinnen harder zullen worden geraakt door de maatregelen dan door het virus zelf,” vult Jean-Pierre aan. “De prijzen zijn in een paar dagen tijd drie keer over de kop gegaan. Mensen zullen sneller sterven door honger dan door corona.”

 

Burundi: virus in verkiezingstijd

In Burundi was corona lange tijd nog een ver-van-het-bed-show. Terwijl aangrenzende landen in (gedeeltelijke) lockdown gingen, draaide het werk voor mijn collega’s van Help a Child Burundi nog ‘gewoon’ door. Met grote belangstelling en bezorgdheid hielden programmadirecteur Clement en zijn team de ontwikkelingen in Nederland in de gaten. Ook maakten ze een hartverwarmend filmpje om de sponsors en donoren in Nederland een hart onder de riem te steken: “Jullie zijn er altijd voor ons. Wij geven om jullie en bidden voor jullie!” lieten ze weten.

Helaas heeft het virus inmiddels schoorvoetend z’n intrede in Burundi gedaan. Officieel zijn er nu vijf mensen ziek en er is één dode te betreuren. Waarschijnlijk zijn de daadwerkelijke aantallen heel anders.  Net als in veel andere landen, is ook in Burundi de test- en zorgcapaciteit laag. Er zijn maatregelen in werking gesteld, maar die zijn zeker niet afdoende. Binnenkomende vluchten worden voorlopig geweerd en publieke plaatsen, zoals restaurants, winkels en hotels moeten een handenwasgelegenheid hebben ingericht. In de straten van hoofdstad Bujumbura en andere steden in het land zijn posters opgehangen met instructies om besmetting tegen te gaan. Het Ministerie van Volksgezondheid en de World Health Organization werken samen met andere NGO’s plannen uit voor het geval de situatie verslechtert. Massacommunicatie heeft ervoor gezorgd dat steeds meer mensen ervoor kiezen om een mondkapje te dragen en weg te blijven bij grote bijeenkomsten. Dat gebeurt vooral in de grotere steden, want in de kleinere dorpen zijn geen mondkapjes voorradig. Ondanks dit alles is het vooral business as usual,” vertelt collega Elysé. “Wat we vooral merken, is een ongebruikelijke en ongemakkelijke stilte rondom de aanstaande verkiezingen. De verkiezingen zijn in mei gepland. Normaal is dat een tijd van uitgebreide debatten, over elkaar buitelende nieuwsberichten en publieke opinie. Dit keer is er niks van dat alles. De regering heeft ook nog geen vooraankondigingen gedaan, dus niets wijst op aanstaande verkiezingen behalve dat ze gepland staan. Dat geeft een ongemakkelijk gevoel. Er zijn hier in Burundi niet veel klinieken die tests kunnen uitvoeren of patiënten met COVID-19 kunnen opnemen. Er zijn nog steeds grote groepen mensen bijeen op de markten. En de scholen zijn nog steeds open.”
Elysé maakt zich vooral zorgen om mensen die onvoldoende inkomen hebben om voor langere tijd voedselvoorraden in te slaan. Wat als het land straks wèl stil komt te liggen? Prijzen zijn nu nog niet veranderd, maar dat kan gauw omslaan. “We zijn vooral aan het plannen en aan het bidden,” vertelt hij. “Waar dat kan, brengen we mensen in onze projecten op de hoogte van het belang van goede hygiëne en het houden van afstand, maar dat is niet genoeg.”
Vorige week deelde Help a Child Burundi in Buterere (Oost-Burundi) paaspakketten uit aan gezinnen die eerder dit jaar werden getroffen door zware overstromingen. Die gelegenheid hebven we aangegrepen om hen op de hoogte te brengen van COVID-19 en het voorkomen daarvan. “Straks, aan de vooravond van de verkiezingen, ligt in Burundi het publieke leven uit veiligheidsoverwegingen toch al grotendeels stil,” vertelt Elyse. “Scholen moeten het seizoen afronden vóór 20 mei. Als in het ergste geval er toch een uitbraak komt in Burundi, willen we kwetsbare gezinnen in de projectgebieden bijstaan met voorlichting, schoolmaterialen voor thuis, cash en voedsel. We zullen dan prioriteit geven aan zwangere vrouwen, vrouwen die kinderen voeden, ouderen en mensen met een beperking. Duizenden gezinnen kunnen daardoor misschien weer eventjes vooruit, maar om dit langer vol te kunnen houden, hebben we extra geld hard nodig.”
 

 

Jerrycans 

Opgestapelde jerrycans staan klaar om uitgedeeld te worden aan gezinnen die eerder dit jaar werden getroffen door overstromingen. Op het etiket staat: "Een vrolijk en gezond Pasen". De gezinnen ontvingen bij het noodpakket ook informatie over COVID-19

Rwanda: lege schappen en overbezet internet

Het is niet eenvoudig om mijn collega’s uit Rwanda te spreken te krijgen. Zodra de eerste gevallen van corona werden bevestigd, ging dit kleine maar voortvarende land in volledige lockdown. De nationale week van rouw, waarin Rwanda stilstaat bij de genocide, nu 26 jaar geleden, ligt net achter ons. De herdenkingen vonden plaats in aangepaste vorm. Mijn collega’s werken al enkele weken vanuit huis en niet iedereen heeft even goede netwerkverbinding. Dat verbaast me enigszins omdat ik vanuit Rwanda anders gewend ben. Met wat kunst- en vliegwerk lukt het me toch om mijn vragen voor te leggen aan programmadirecteur Jean Claude. “De regering zet sterk in op preventie,” zo lees ik uit de appjes die Jean-Claude me stuurt bij de gratie van een streepje internet. Met stijgende verwondering lees ik verder: “Via drones worden instructies uitgezonden boven elke stad en elk dorp.” Alsof dat de normaalste zaak van de wereld is, typt Jean Claude verder: “Geïnfecteerde mensen worden afgezonderd en krijgen gratis behandeling. Tegelijkertijd maken veel mensen zich meer zorgen over eten dan over corona. Als de maatregelen nog lang aanhouden, ben ik bang dat mensen geneigd zullen zijn de regels te overtreden.” Ik deel de zorgen van Jean-Claude, zeker als ik verder lees: “De politie zorgt dat de regels in het hele land blijven gehandhaafd.” Dat dit eventueel niet met zachte hand zal gaan, is me duidelijk.
“De situatie treft iedereen in dit land,” gaat Jean-Claude verder. “Het voedsel is duurder geworden en ook de noodzaak om het aan huis te laten bezorgen, geeft extra kosten. Aan de andere kant: degenen die een maandsalaris hebben, krijgen tenminste doorbetaald. Voor mensen met een bedrijf is het zwaar, omdat ze niets verdienen en tegelijkertijd de contracten met werknemers niet mogen verbreken. Ook mensen die gebonden zijn aan een bepaald dieet, hebben het moeilijk. Simpelweg omdat veel voedsel niet verkrijgbaar is.”
Als ik verder lees, begrijp ik waarom het contact met collega’s uit Rwanda moeizaam verloopt: “Internet is momenteel een grote uitdaging hier. Iedereen wil internet gebruiken en daar is het netwerk niet op berekend. We zijn van internet afhankelijk voor ons werk, maar ook voor alle betalingen en bankzaken, omdat betalen met contanten zoveel mogelijk wordt ontmoedigd.”
Als ik hem vraag naar de uitdagingen voor kinderen en jongeren, zegt Jean-Claude: “De scholen zijn dicht, maar anders dan in Nederland en andere landen is het in de meeste gevallen niet goed mogelijk om thuis alternatief onderwijs aan te bieden. Digitale voorzieningen zijn er lang niet overal en ouders zijn vaak ook niet voldoende onderlegd om hun kinderen te begeleiden met huiswerk. Ook is het bijna onmogelijk om kinderen een gevarieerde en dus gezonde maaltijd aan te bieden. Veel producten zijn niet beschikbaar. Dat is een uitdaging voor gezinnen die niet aan landbouw doen. Maar de grootste problemen doen zich voor onder jongeren. Zij kunnen niet naar school of naar hun werk. Verveling slaat toe en er is gebrek aan perspectief.”
Helaas zijn er vanwege de lockdown momenteel ook niet veel activiteit in de projectgebieden mogelijk. Via de dorpsleiders zijn de projectgebieden wel geïnformeerd en via partners worden, zo goed en zo kwaad als dat gaat, in elk project de belangrijkste problemen en uitdagingen in kaart gebracht. Jean-Claude en zijn team willen graag aan voedseldistributie gaan doen. Ook liggen er plannen om digitaal onderwijs te helpen opzetten en mensen voor te lichten over COVID-19. Daarvoor is wat budget gereserveerd. “Voor deze plannen hebben we toestemming van de regering gevraagd en daar wachten we nu op, ” appt Jean-Claude. “Ik hoop en bid dat die plannen snel worden goedgekeurd,” laat ik Jean-Claude weten, al kan het een tijdje duren voordat mijn antwoord hem heeft bereikt.