“Het is een druppel op de gloeiende plaat zeggen mensen tegen ons, maar wij zeggen dan altijd: ‘Die druppel zal maar net bij jou vallen’”, vertelt Beja Weitkamp. Naast haar zit Frits, haar man, die met net zoveel passie en liefde vertelt over hun werk in Cambodja. Ze mochten het 25-jarig jubileum vieren met hun stichting De Brug. In die tijd is er veel geleerd, veel veranderd en veel liefde en kennis uitgedeeld.  

Die liefde klinkt door in de manier waarop het stel over hun werk in Cambodja vertelt. “We voelen ons erg gezegend dat we dit soort dingen op onze oude dag mogen doen,” aldus Beja. Ze helpen in een land dat door haar geschiedenis weer van grond af aan opgebouwd moet worden. In de periode van ’75 t/m ’79 had de communistische Rode Khmer van Pol Pot de macht in handen. Ze stuurden mensen terug naar het platteland, verboden religie en onderwijs. Alle kennis moest uitgeroeid worden en twee miljoen mensen werden vermoord. Beja: “Als je een bril droeg, werd je vermoord, want dan kon je lezen en had je gestudeerd. Had je een horloge, of een witte plek op je pols dan werd je omgebracht, want dan kon je klokkijken.”

Frits en Beja nemen de stichting elf jaar geleden over van oprichtster Diny van Bruggen. Met stichting de Brug helpen ze de bevolking van Cambodja met de opbouw van hun land en leven. Dit doen ze door middel van verschillende projecten: armen/ziekenzorg, opvang van weeskinderen in een gezin, bouw van scholen, irrigatie, microkrediet en schoon drinkwater. Door per gebied en persoon te kijken wat er nodig is, helpen ze de bevolking steeds een stukje verder op weg.   

Oma Ting

Zo is de situatie van oma Ting na een ontmoeting met Frits en Beja veranderd. Zeven á acht jaar geleden vinden ze oma
Ting onder een op palen staand huis. Met zes kinderen slaapt ze in één bed. Het bed, een stapeltje kleren van de kinderen en een handje rijst is alles wat ze had. De stichting zorgt ervoor dat de kinderen weer naar school gaan en voorziet het gezin in eten. “Later hebben die kinderen toen ze achttien waren ook een beroepsopleiding gevolgd en twee van die kinderen hebben inmiddels al werk.” “Het is niet alleen de zorg voor de kinderen,” vult Beja, Frits aan, “maar de kinderen zorgen ook weer voor oma. Oma is niet alleen op haar oude dag.” Door deze en andere succesvolle verhalen, de blijde gezichten en het zien dat ze echt iets kunnen betekenen blijven ze gemotiveerd. “Als we bij oma Ting komen, nou dan wordt Beja omhelsd en ja echt, dan voel je je net moeder Teresa”, lacht Frits, “Dan is ze zo dankbaar, dan zit ze daar te glunderen.” Beja glimlacht: “Dat is onbetaalbaar. Van betaald werk kan ik niet zo goed betaald worden als van dit. Dat houdt ons op de been.”

De vrijwilligers

De 120 Cambodjaanse vrijwilligers spelen een grote rol in de hulp. Elke commune, een soort gemeenschap, heeft er één. Zij bezoeken de aidspatiënten, de weeskinderen, de school, coördineren de beroepsopleidingen en begeleiden de microkredieten intensief. Volgens Beja houden ze allemaal ontzettend van hun werk: “Stel je voor: jij woont in een dorp en je ziet daar heel veel armoede om je heen en dan is er de mogelijkheid dat jij ze kunt helpen. Jij kunt je buurvrouw helpen. Hoe mooi is dat?” De vrijwilligers krijgen training, zodat ze weten hoe ze met situaties om moeten gaan. “Ze zitten allemaal met hun boekje en schrijven alles op. Ze zijn heel leergierig”, vertelt Frits enthousiast.   

Jongeren

Frits en Beja zien het land veranderen. Zo staan er sinds vijf á zes jaar hele grote kleding- en schoenenfabrieken waar mensen voor 140 dollar per maand kunnen werken. Mensen hebben weer wat te besteden. Wel is het volgens het stel erg kortetermijndenken, zo komt volgens Frits bijna niemand meer boven de dertig aan bod: “Je hebt kort werk, dan word je ontslagen en heb je niks meer.” Iets wat Frits en Beja graag anders zien. Zij bieden jongeren een beroepsopleiding naar keuze aan, zodat ze een vak kunnen leren. Elk jaar doen hier ongeveer vijftig jongeren aan mee. “Soms blijven ze werken in het bedrijf waar ze stagelopen, soms krijgen ze een lening van ons om zelf te beginnen”, aldus Beja.

Zo ook Huot Pisey, een weeskind uit hun programma. Op zijn achttiende krijgt hij een lening om een opleiding te doen. Inmiddels heeft hij een eigen winkel. Trots vertelt Beja: “We hebben hem een paar keer bezocht. Hij maakt keurige mannenkleding. Nette bloezen met strak gestreken kraagjes. Hij is zo trots als wat. De vorige keer dat we er waren vroeg hij of hij nog een lening kon krijgen om zijn winkeltje uit te breiden. Die krijgt hij, want we zien dat hij er goed mee is omgegaan.”

Veranderingen en toekomst    

Als ze terugkijken op de elf jaar dat zij aan het werk zijn in Cambodja zien ze daadwerkelijk verandering. Op het moment dat ze met hun werk starten is aids op zijn hoogtepunt en overlijden er alleen al in het gebied waar zij werken vier a vijfhonderd mensen per jaar. In 2009 komen de aidsremmende middelen. “In 2009, hadden we 3200 weeskinderen en nu hebben we er nog 600. Zo snel gaat dat naar beneden”, aldus Frits. Ook op het gebied van irrigatie is er veel veranderd, vertelt Beja: “Boeren krijgen het beter en hebben meer geld te besteden. Elf jaar geleden werd de ploeg alleen maar getrokken door een paar koeien in het veld, nu zie je overal machines.”

In het land kennen ze de ene helft van het jaar een droog seizoen en het daaropvolgende halfjaar een regenseizoen. Door de regen op te vangen in grote reservoirs is het mogelijk om ook in de droge periode rijst te verbouwen. Waar de stichting de reservoirs, dijken en sluizen eerst gratis aanlegde, wordt er nu van de boeren ook een eigen bijdrage gevraagd. Door de jaren heen is de eigen bijdrage doorgegroeid tot 15%. Frits vertelt: “Wij zijn ervan overtuigd dat ze irrigatieprojecten in principe ook kunnen financieren zonder onze hulp.”

“Waar wij nu heel erg op focussen is zelfredzaamheid. De eigen bijdrage moet steeds meer worden. Ze moeten zich er steeds meer bewust van worden dat ze het zelf kunnen. Uiteindelijk moeten wij overbodig worden,” vult Beja hem aan.  

Op dit moment zijn ze nog niet overbodig, met de toekomst in het achterhoofd, zijn ze daarom al aan het rondkijken voor opvolgers. “Dat is heel lastig”, geeft Frits toe, “Ik hoop dat we iemand kunnen vinden waarmee we kunnen samenwerken en dat diegene het dan stapje bij stapje over kan nemen. We hopen gewoon dat wij die tijd krijgen, dat we gewoon steeds iets meer afstand kunnen nemen.”