Er gaat een luchtalarm af. Ik hoor inslagen van granaten en kogels. Het geluid komt snel dichterbij. Ik ben aan het werk in mijn huis en moet met mijn gezin onmiddellijk naar de schuilkelder. Die is een paar straten verderop. Ik denk koortsachtig na: wat moet ik meenemen?

Wat KAN ik nog meenemen? Ik roep naar mijn kinderen dat ze snel hun schoenen moeten aandoen en hun jas moeten pakken. Ik grits een paar paspoorten uit een bureaulade. Zoek mijn jas. Die lag toch…? Geen tijd te verliezen. Zonder jas en met vrouw en kinderen zijn we onderweg. Zigzaggend door onze straat die vol met rook staat…Ik heb het me op dat moment niet gerealiseerd maar dat was ook direct de laatste keer dat ik ooit mijn huis zag. Mijn boekenkast. Onze sofa, onze openhaard… 

Bovenstaand verslag is niet waargebeurd bij mij thuis in Nederland. Maar wel bij de mensen bij wie ik aan het filmen ben in Armenië. We zijn net aangekomen in een klein vervallen boerenhuisje in een dorpje net buiten de hoofdstad Jerevan. Rondom mij 7 kleine kinderen die met z’n allen oorlogje spelen. Met speelgoedmitrailleurs en speelgoedtanks. Twee oma’s en twee moeders lopen door de kamer, zitten op bed. 

“O kijk daar nou toch”, roep ik vertederd, midden in het voorgesprek. Iedereen kijkt mee in de richting van het vloerkleed. Daar tippelt een minuscuul grijs muizenbeest op z’n dooie akkertje de kamer in, richting een hoopje plastic zakken. Oma is sneller dan haar schaduw. Met haar zachtwollen pluispantoffel staat ze precies op de plek waar de muis nooit geweten heeft wat hem de levensadem benam. Met een papieren zakdoekje peutert oma het platgetreden lijkje triomfantelijk onder haar zool vandaan. 

De gezinnen die hier bij elkaar wonen, hadden dit een paar weken geleden nooit gedacht. Het is het derde gezin dat we vandaag spreken. En elke keer zijn de verhalen hetzelfde en probeer ik mee een voorstelling te maken van wat ze is overkomen. Een voorstelling zoals ik die hiervoor in de inleiding schetste. Voor mij slechts een gedachteoefening. Hier is het realiteit. 

Het gezin hier had in de Armeense enclave Nagorno Karabach een boerderij met een grote veestapel. Waar ze goed van konden leven. Ze woonden allemaal in een eigengebouwd huis. Het huis van één van de gezinnen was nu net, na vijf jaar bouwen, eindelijk af. Een mooie inrichting die ze in jaren bij elkaar gespaard hadden en waar ze trots op waren. Een nieuwe auto erbij. 

Tot dat moment op die ene mooie nazomerdag afgelopen september. Toen de oorlog met Azerbeidjan uitbrak en duizenden mensen moesten vluchten voor het oorlogsgeweld. Deze gezinnen waren de eersten die moesten maken dat ze wegkwamen. In een paar minuten.  “Niets, we hebben niets meer”, roept oma in haar ochtendjas die ze gekregen heeft van de buurvrouw. Net als de rest van al haar kleding en die van de kinderen. Het huis waar ze nu in wonen, stond leeg en hebben ze voor deze tijd te leen. 

Oma heeft zojuist gehoord dat haar eigen huis kapotgeschoten is, de beesten gestolen en de nieuwe auto doorzeefd. Terugkeer naar hun huis of dorp kunnen ze voor altijd vergeten omdat hun hele regio is weggegeven aan Azerbeidjan. Ze zijn gevlucht met alleen de kleren aan hun lijf, en op pantoffels. Pluispantoffels die ervan kunnen getuigen hoe een doodgewoon leven zomaar in één klap een heel andere wending kan krijgen. 

 

Meer weten over het project in Armenië of doneren? Klik hier.

Victor Rosier is programmamaker en reisde voor EO Metterdaad naar Armenië.