Ik sta in het Armeense vluchtelingenkamp van Hankovan, waar drie grote Stalinistische schoolgebouwen plaats bieden aan honderdveertig vrouwen en kinderen, slechts een klein deel van de duizenden Armeense vluchtelingen die van huis en haard verdreven zijn door de verloren oorlog met Azerbeidzjan. Zussen, schoonzussen, moeders en schoonmoeders wonen samen met tientallen kinderen in grote families op kamers die niet groter zijn dan een half klaslokaal. Keurig verwarmd, dat wel gelukkig, maar verder ontbreekt alle luxe. Stapelbedden aan de muur, een toilet en een douche, twee kastjes voor de schamele bezittingen en een waterkokertje die ze vast moeten houden, want een keuken is er niet. Op één zo’n kamer leven gemiddeld vier volwassenen en zes kinderen.

Ik heb erger gezien wat betreft leefomstandigheden. Als ik foto’s opstuur naar de redactie krijg ik een vriendelijk verzoek terug of ik geen beelden heb van moeders in de puinhopen van een kapotgeschoten huis.

Maar zo dicht zit ik niet bij het front. Hier maak ik de oorlog indirect mee, door de bezorgde ogen van moeders, doodop van de angst over hun man van wie ze al weken niets gehoord hebben, de stress van dreinende kinderen die ruzie maken in de overvolle kamers of niet kunnen slapen omdat ze nachtmerries hebben. In de hoge holle gangen aan de andere kant van de deur is het nooit stil. Kinderen spelen oorlogje en leren peuters van drie hoe ze met een plastic bajonet op een speelgoedgeweer elkaar dood kunnen prikken. Dat spaart kogels. Overal liggen telefoons, stil te wachten op een bericht van het front. Bellen met hun man gaat moeizaam. Als er contact is zijn de gesprekken heel kort. Als de vijand de berichten onderschept vallen er bommen.

De oorlog is verloren. Vijand Azerbeidzjan werd geholpen door een overmachtig Turkije. De Armenen maakten geen schijn van kans. Ze waanden zich veilig in de bergen, die ze op hun duimpje kennen. Maar anders dan in voorgaande oorlogen is de strijd beslecht door de inzet van Turkse drones, robotvliegtuigen die onzichtbaar en onhoorbaar hoog boven het afweergeschut dood en verderf zaaiden. Dagelijks klinkt er huilen op de gang, als iemand hoort dat haar vermiste zoon, man of vader teruggevonden is.

Maar soms klinken ook blije opgewonden kinderstemmen. Een Armeense soldaat is van het front teruggekeerd met een dag verlof. Uit de achterbak van zijn aftandse auto tovert hij een zak granaatappels te voorschijn, de laatste oogst die hij uit zijn tuin heeft kunnen meenemen voordat hij de bijl in de bomen heeft gezet. Voor de Azerbeidzjaanse bezetter, die over een week met veel machtsvertoon en wapperende vaandels het gebied zal innemen, wordt niets achter gelaten. Zelfs zijn huis heeft de soldaat verbrand. Iemand vraagt hoe hij zich voelt. Hij haalt zijn schouders op, grinnikt beschaamd, alsof hem het verlies van de oorlog te verwijten valt en staart in het oneindige. 

‘Het is verschrikkelijk.’ mompelt hij. Meer wil hij er niet over zeggen. Terwijl hij zijn dochter op de arm neemt en zoent, speelt achter zijn netvlies een film af die ik niet ken. Afwezig staart hij naar de kleine kinderhanden die de granaatappels uit zijn achterbak weggraaien. Hij strompelt naar zijn gezin, voor een laatste kop koffie. Over een paar uur moet hij weer terug naar het front, om lichamen te bergen die onder het puin van ingestorte huizen liggen begraven.

Meer weten over het project in Armenië of doneren? Klik hier.

Jan Willem den Bok is programmamaker en reisde voor EO Metterdaad naar Armenië.