Ik sta nu vierentwintig uur op Nederlandse bodem, terug van een zestiendaagse reis naar Armenië. Opdracht: een film maken over de Armenen die zijn gevlucht voor de oorlog met Azerbeidzjan. Veel wist ik niet over het land. In het vliegtuig had ik snel nog een keer het redactieverslag gelezen. Armenië is kleiner dan Nederland, telt slechts drie miljoen inwoners en ligt vanuit het oosten, westen en zuiden ingeklemd tussen Turkije, Azerbeidzjan en Iran. Alledrie islamitische naties die op zijn zachtst gezegd weinig goeds voor hebben met het christelijke landje. 

Armenië is in oorlog met Azerbeidzjan maar niet op eigen grondgebied. Het gewapend conflict betreft een klein bergachtig gebied ten oosten daarvan waar etnische Armenen wonen. De vrijgevochten bewoners noemen het de republiek Artsakh. Azerbeidzjan beschouwt het als opstandige Azerbeidzjaanse provincie. Groot is het niet. Overijssel is groter. En in Zeeland wonen twee keer zoveel mensen. 

Sinds mensenheugenis zijn de bergen van Artsakh bewoond door Armeense christenen. De vele oeroude kloosters, kerken en kruizen getuigen daarvan. Het gebied werd om en om bezet door Turkije en Rusland tot de bewoners in 1988 een oorlog voor onafhankelijkheid begonnen. Na zes bloedige jaren riepen de Armeense bewoners in 1994 de vrije republiek Artsakh uit. 

Ik nam mij voor onpartijdig te blijven. Als filmmaker en journalist kan van mij niet anders worden verwacht. Nu, zestien dagen later, terug in het veilige Nederland, moet ik bekennen dat het verhaal van Armenië onder mijn huid is gekropen. En het jeukt. Onpartijdig ben ik al lang niet meer. Ik ben boos, verontwaardigd, verslagen en verdrietig om wat ik heb gezien door de lens. Aan het front heb ik niet gestaan. Ver daar achter draaide de camera, in een opvangtehuis voor vrouwen die gevlucht waren met hun kinderen. Beelden van verwoesting, bloed of dode lichamen zag ik niet persoonlijk, maar alleen via hun mobieltjes binnenkomen. Het was erg genoeg.

De oorlog is verloren. Een exodus is begonnen. De vrouwen tonen mij filmpjes. Files volgepakte auto’s met vluchtelingen kruipt traag over een bergkam, terug naar het buurland Armenië, waar ze voorlopig veilig zijn. Een troepenmacht van Russen moet zogezegd een nieuwe oorlog  voorkomen. Maar Armenen geloven er niet in. Het is wachten op een nieuwe genocide, fluisteren sommige vrouwen mij onheilspellend toe. De geschiedenis geeft ze geen ongelijk. De genocide van 1915, waarbij anderhalf miljoen Armenen werden opgehangen, doodgeschoten, uitgehongerd of in de Syrische woestijn gedreven is niemand vergeten. 

De Armenen voelen zich verlaten. Ze vochten in hun eentje tegen het veel grotere Azerbeidzjan, dat werd geholpen door Turkije. Niemand schoot te hulp, zelfs grote broer Rusland niet. Er zouden zouden offers worden gebracht, wist iedere Armeniër. Maar niet dit. Deze strijd werd beslecht vanuit de lucht, door Turkse drones. Robotvliegtuigen, bewapend met zelfsturende raketten en bommen, onzichtbaar en sneller dan het geluid. De piloten van deze toestellen zitten ergens ver weg van het front, in een veilige container met airco op een basis in Azerbeidzjan, achter een computer. Geavanceerd wapentuig dat is te danken aan premier Erdogan van Turkije, die de drones met veel trots heeft uitgeleend aan zijn moslimbroeders in het oosten.

Eén van de Armeense vrouwen in het opvangkamp laat mij een film zien van een drone die hoog vanuit de lucht Armeense tanks vernietigt in paddestoelvormige stofwolken. Ze vertelt mij dat ze een achttienjarige zoon heeft die in een tank rijdt, mompelt ze. Ze heeft al een paar weken niets van hem gehoord. Of hij dood is weet ze niet. Ze hebben nog geen één lichaam terug gevonden. Alleen stukjes.

 

Meer weten over het project in Armenië of doneren? Klik hier.

Jan Willem den Bok is programmamaker en reisde voor EO Metterdaad naar Armenië.